Uit recent vrijgegeven documenten blijkt dat Sander Dekker, destijds minister van Rechtsbescherming, in de aanloop naar de legalisering van online gokken in Nederland intensief contact heeft gehad met mensen uit de gokindustrie.
In de documenten — waaronder appberichten en e-mails — wordt duidelijk dat Dekker direct communiceerde met lobbyisten, zoals Frits Huffnagel van branchevereniging VAN Kansspelen, vlak voordat het debat over de Wet Kansspelen op Afstand plaatsvond.
In een appje suggereerde Dekker zelf dat de lobby vooral moest komen via officiële instanties zoals de Kansspelautoriteit (Ksa), goede doelen en verslavingszorg, omdat dat politiek beter zou “landen”.
Maar de praktijk laat zien dat het contact veel directer was: Dekker belde, appte en hield verschillende vertegenwoordigers uit de sector op de hoogte van politieke ontwikkelingen rond de wetgeving.
Volgens de documenten was er ook sprake van persoonlijke felicitaties nadat de wet werd aangenomen.
Dekker zelf zegt dat dit soort contacten toen hoorde bij het proces van het maken van nieuwe wetgeving, waarin alle betrokken partijen werden gehoord — van toezichthouders en verslavingszorg tot de branche zelf
Column – “Wie kan ik hier nog vertrouwen?”
Soms zit ik achter mijn bureau en denk ik:
wie kan ik in Den Haag nou eigenlijk nog vertrouwen?
Dekker.
De Kansspelautoriteit.
Michel.
René.
Begrijp me goed — het zijn allemaal geen vijanden. Sterker nog: het zijn stuk voor stuk lieve mensjes. Serieuze mensen ook, met ongetwijfeld goede intenties en vast het idee dat ze het juiste doen.
Maar begrijpen ze alle facetten van de kansspelindustrie?
Nee.
Gewoon nee.
Niet hoe spelers zich écht gedragen.
Niet hoe illegale aanbieders opereren.
Niet hoe geldstromen lopen.
Niet hoe regelgeving in de praktijk uitpakt.
En dát is precies het probleem. Want beleid maken zonder dat begrip is geen sturing — dat is gokken met oogkleppen op.
Wat we nu zien, is toch van de zotte.
We hebben in Nederland een legale gokmarkt opgetuigd met vergunningen, zorgplicht, limieten, rapportages, reclameverboden en sancties. En wie krijgt structureel de klappen? Juist: de legale partijen.
Boetes. Waarschuwingen. Naam-en-toenaam publicaties. Regels die elkaar soms zelfs tegenspreken.
En ondertussen?
De illegale aanbieders krijgen steeds meer vrije vaart.
Zij rijden niet alleen over de snelweg — het lijkt soms alsof ze dat doen met politiebegeleiding en zwaailicht.
Geen vergunning? Geen probleem.
Geen toezicht? Nog beter.
Geen zorgplicht? Ideaal of IDEAL.(leuk grapje toch?)
En dan hoor je geluiden uit Den Haag die mij echt verbazen.
De AG die alvast voorsorteert dat spelers hun inzet nooit en te nimmer terug zullen zien. Punt. Klaar. Afgeserveerd.
Alsof rechtvaardigheid een administratieve bijzaak is geworden.
Ik heb het al eerder geschreven in mijn columns:
dit begint steeds minder op beleid te lijken en steeds meer op vriendjespolitiek.
Een beetje gedogen.
Een beetje niet-gedogen.
Een beetje wegkijken.
En vooral: niemand die echt verantwoordelijkheid pakt.
Wanneer staat er eens een man of vrouw op die zegt:
“Dit hele zooitje — sorry, maar er is echt geen ander woord — dit hele zooitje sturen we naar huis.”
Geen 150 vrijbuiters, commissies, taskforces, klankbordgroepen en lobbylunches.
Maar maximaal vijf capabele mensen die zeggen:
dit is legaal,
dit is illegaal,
dit is bescherming,
dit is handhaving,
en zó gaan we het doen.
Want wat we nu hebben is geen doordachte regulering.
Het is bestuurlijke spaghetti.
Met kerstsaus eroverheen.
En waar is de politiek eigenlijk?
JA21?
PVV?
VVD?
CDA?
Is iedereen bang dat de kerst een vieze smaak krijgt zodra het over KOA gaat?
Bang om de kerstborrel te verstoren?
Bang dat iemand “lastige vragen” stelt onder de kerstboom?
Alleen al de WOO-verzoeken zouden reden genoeg moeten zijn om die kerstborrel af te slaan en te zeggen:
we hebben hier iets uit te leggen.
Maar nee.
Het is makkelijker om te zwijgen, te schuiven, te vertragen.
En te hopen dat de burger — en de speler — het wel weer vergeet.
Alleen…
wij vergeten niet.
En zolang Den Haag blijft gokken met vertrouwen, blijft één vraag op tafel liggen:
Wie speelt hier eigenlijk eerlijk — en wie deelt de kaarten?