Twee zittingen, één dossier, één narratief: hoe ‘slecht levensgedrag’ wordt geconstrueerd
Door: 24coupons.nl
Eind januari en twee februari 2026 vonden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee zittingen plaats die inhoudelijk om precies hetzelfde dossier draaiden: het Cash Center en de intrekking van een 30h-vergunning wegens vermeend “slecht levensgedrag”.
Op 29 januari 2026 betrof het de zaak ARB Automaten.
Op 2 februari 2026 volgde de zaak HVD Speelautomaten.
Twee verschillende ondernemingen, twee verschillende zittingsdagen — maar dezelfde feiten, dezelfde verwijten, dezelfde redenering van de Kansspelautoriteit (Ksa).
Eén dossier, twee procedures
In beide zaken stelt de Ksa dat betrokkenheid bij het Cash Center automatisch leidt tot “slecht levensgedrag”, met als gevolg een maatregel die in de praktijk neerkomt op een beroepsverbod.
Opvallend is daarbij het procesverloop:
-
op 29 januari verscheen de Ksa met een uitgeschreven pleitnota;
-
op 2 februari was er geen pleitnota, maar slechts een mondelinge toelichting.
Inhoudelijk veranderde er niets. Het narratief bleef gelijk.
De zware aantijging: “liegen en bedriegen”
Tijdens de zitting van 29 januari stelde de Ksa dat Henk Ten Voorde – gemachtigde in één van de dossiers – zou “liegen en bedriegen”:
-
hij zou de werking van het Cash Center nooit hebben uitgelegd;
-
hij zou nooit hebben gezegd dat kansspelaanbieders op het platform waren aangesloten;
-
hij zou niet alle klanten hebben aangeleverd.
Dat is een uitzonderlijk zware persoonlijke aantijging, zeker in een integriteitsprocedure met zulke verstrekkende gevolgen.
Wat ontbreekt, is even uitzonderlijk: concrete onderbouwing.
Want dezelfde dossiers bevatten e-mails en verklaringen van de Ksa zelf waaruit blijkt dat:
-
uitleg is gegeven over de werking van het systeem;
-
is besproken dat er (ook) kansspelaanbieders op het platform waren aangesloten;
-
de Ksa expliciet heeft gevraagd om de klanten van Cash BV – en die ook heeft gekregen.
Wie iemand van “liegen en bedriegen” beschuldigt, moet kunnen aanwijzen welke verklaring onwaar is, waar die staat en met welk stuk dat wordt bewezen. Dat bleef uit.
Een onthullend moment: waarom anderen niet zijn aangepakt
Misschien het meest onthullende moment kwam niet uit de stukken, maar uit de mond van de Ksa zelf.
De Ksa verklaarde dat zij:
-
andere betaaldienstverleners niet heeft aangepakt,
-
omdat die geen 30h-vergunning hadden.
Met andere woorden: banken, reguliere PSP’s en bekende betaalmethoden vielen buiten schot, niet omdat hun rol fundamenteel anders was, maar omdat de Ksa bij hen geen instrument had om een vergunning in te trekken.
En precies dát verklaart waarom:
-
zij geen “slecht levensgedrag” kregen toegedicht,
-
geen beroepsverbod-effect ondervonden,
-
en wél konden blijven opereren en illegale gok-aanbieders destijds later gewoon een vergunning kregen onder de Wet kansspelen op afstand van de Ksa.
Selectieve handhaving verpakt als integriteit
Wat resteert, is een ongemakkelijke conclusie.
Niet het feitelijke gedrag, maar de juridische hefboom (30h-vergunning) bepaalt wie genadeloos wordt geraakt en wie niet.
Dat maakt “slecht levensgedrag” geen objectieve norm, maar een selectief toegepast etiket.
In zo’n context zijn de klassieke bestuursrechtelijke vragen onvermijdelijk:
-
Kenbaarheid: welk normkader gold destijds concreet voor betaaldiensten?
-
Zorgvuldigheid: welk gedrag is onderzocht en bewezen?
-
Gelijkheid: waarom deze partijen wél en andere niet?
-
Evenredigheid: rechtvaardigt dit een maatregel met beroepsverbod-effect?
Tot slot
Wie de berichtgeving volgt, ziet vooral het verhaal van de toezichthouder terug.
Wie het dossier leest en de zittingen volgt, ziet iets anders: een narratief dat overeind blijft door herhaling, niet door bewijs.
Dat is geen detail. Dat raakt de kern van rechtsbescherming in het bestuursrecht
De 5 vragen die journalisten hadden moeten stellen
-
Welke concrete verklaring van Henk Ten Voorde is aantoonbaar onwaar?
Kunt u exact aanwijzen wat er zou zijn gelogen, waar dat staat in het dossier en met welk stuk u dat bewijst? -
Welke klant of welk opsteladres is volgens de Ksa niet aangeleverd — en waar blijkt dat uit?
Kunt u één concreet voorbeeld noemen, nu uit e-mails blijkt dat de Ksa specifiek om de klanten van Cash BV vroeg en deze ook kreeg? -
Waaruit blijkt exclusiviteit of een ‘onlosmakelijke verbinding’ met Forzza, gegeven dat meerdere aanbieders waren aangesloten?
Is dit gebaseerd op techniek, contracten of handelingen — of op aannames achteraf? -
Waarom zijn andere betaaldienstverleners en partijen die destijds eveneens illegaal opereerden niet vergelijkbaar behandeld?
Is het verschil inhoudelijk gemotiveerd, of uitsluitend het gevolg van het feit dat zij geen 30h-vergunning hadden? -
Hoe kan sprake zijn van ‘slecht levensgedrag’ als de norm voor betaaldienstverleners destijds niet kenbaar en niet afgebakend was?
Welke gedragsregel had de ondernemer toen concreet moeten kennen en naleven? Dit dossier zal blijven rondzingen in de markt, omdat het laat zien dat integriteit geen label is dat een autoriteit zichzelf kan toekennen, maar iets wat zij elke dag opnieuw moet verdienen met feiten, consistentie en gelijke behandeling.