Officier Boswijk werd advocaat-generaal: van Cash Centers naar Curaçao — wel onderzoek, geen onderzoek, of weer een overheidsverhaal?
Robbert-Jan Boswijk, tweede van rechts op de officiële foto hierboven. Destijds officier van justitie in de Rotterdamse Cash Centers-zaak. Inmiddels advocaat-generaal binnen het Caribische Openbaar Ministerie. Een statige foto, nette pakken en een gouden onderscheiding. Maar achter al dat staatsgezag ligt een vraag die na jaren nog steeds niet behoorlijk is beantwoord: waar is het onderzoek waarop de overheid haar vernietigende verhaal over Cash Centers baseerde?
Lees eerst zelf het artikel van CasinoNieuws over de illegale loterijen op Curaçao.
Daarin waarschuwt de Curaçao Gaming Authority voor illegale loterijen, oneerlijke concurrentie en risico’s voor spelers. Ook staat erin dat het Openbaar Ministerie op Curaçao onderzoek doet naar de CGA zelf. Over de aanleiding en de aard van dat onderzoek zijn vooralsnog geen nadere bijzonderheden bekendgemaakt. (CasinoNieuws.nl)
Onderzoek.
Daar hebben we dat woord weer.
Een prachtig woord.
Serieus, degelijk en betrouwbaar.
Je zet het boven een dossier en de burger denkt dat iemand de feiten heeft uitgezocht.
De rechter ziet een proces-verbaal en denkt dat bevoegde ambtenaren hun werk zorgvuldig hebben gedaan.
De officier van justitie zegt dat uit onderzoek iets is gebleken.
En voordat je het weet is een aanname veranderd in een ambtelijke waarheid die jaren door strafzaken, bestuursrechtelijke procedures en vergunningendossiers blijft reizen.
Maar ik stel inmiddels bij ieder officieel onderzoek dezelfde eenvoudige vraag:
Wat is er werkelijk onderzocht?
Niet wat is opgeschreven.
Niet wat is geconcludeerd.
Niet wat de Ksa graag wilde aantonen.
Niet wat het OM goed uitkwam.
Wat is daadwerkelijk onderzocht?
Want bij Cash Centers blijkt het verschil tussen die twee werelden angstaanjagend groot.
Een officier, vier inspecteurs en een verhaal dat al klaarstond
Robbert-Jan Boswijk was niet zomaar een naam aan de zijlijn.
Hij was de officier van justitie die in de Rotterdamse Cash Centers-zaak veroordeling vorderde. Hij eiste een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar. Dat staat zwart op wit in het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 maart 2023.
In de rechtszaal verdedigde het OM het verhaal dat Cash Center een onmisbare schakel vormde tussen Nederlandse spelers en Forzza.
Andere betaalmethoden zouden vanuit Nederland niet of onvoldoende bruikbaar zijn.
Zonder Cash Center geen betaling.
Zonder betaling geen spel.
Zonder Cash Center dus geen Forzza.
Klip-en-klaar.
Punt uit.
Boswijk zei tijdens de behandeling volgens het dossier ook dat Cash Centers mogelijk “een gat in de markt” waren.
Daar zit nu juist het bizarre.
Een gat in de markt is niet automatisch een gat in de wet.
Een betaalautomaat die geld overbrengt, is niet vanzelf een illegaal casino.
En een ondernemer die een nieuwe betaalmogelijkheid bedenkt, is niet automatisch medeaanbieder van alles wat een klant met die betaling koopt.
Maar voor dat onderscheid was een echt onderzoek nodig.
Een technisch onderzoek.
Een financieel onderzoek.
Een onderzoek naar alle beschikbare betaalmethoden.
Een onderzoek naar de vraag of een speler ook zonder Cash Center een account kon openen en geld kon storten.
Een onderzoek naar de precieze rol van Cash Center.
En precies daar begon het overheidsverhaal uit elkaar te vallen.
Vier inspecteurs schreven het ene en verklaarden later iets anders
De namen kennen we inmiddels:
Van Dalen.
Van den Brink.
Roeleveld.
Eerligh.
Vier inspecteurs van de Kansspelautoriteit.
In startprocessen-verbaal en andere stukken werd een stevig verhaal opgebouwd over de verbinding tussen Cash Center en Forzza.
Onlosmakelijk.
Onmisbaar.
Faciliterend.
De woorden stonden op papier en begonnen aan hun lange tocht door het Nederlandse rechtssysteem.
Maar toen die inspecteurs later onder ede bij de rechter-commissaris werden gehoord, ontstond volgens de getuigenverklaringen een heel ander beeld.
Was de technische werking van Cash Center volledig onderzocht?
Was onderzocht of Cash Center ook voor andere producten en diensten kon worden gebruikt?
Was onderzocht of Forzza andere rechtstreekse betaalmogelijkheden bood?
Was onderzocht of iemand zonder een Cash Center-account toegang kon krijgen en kon betalen?
Was de gestelde onlosmakelijke verbinding werkelijk getest?
Juist over die cruciale punten bleek het onderzoek volgens mijn lezing van het dossier niet te zijn uitgevoerd zoals de processen-verbaal deden vermoeden.
En ook de rechtbank constateerde het probleem.
Zij kon niet uitsluiten dat de Ksa bij haar onderzoek naar Forzza steeds gebruik had gemaakt van een account dat via een Cash Center was aangemaakt. Vervolgens schreef de rechtbank de vernietigende woorden:
“Het naar de website van Forzza door de Ksa verrichte onderzoek is daarvoor ontoereikend en niet sluitend.”(Rechtspraak)
Lees dat nog eens.
Ontoereikend.
Niet sluitend.
Niet volgens Henk.
Niet volgens een boze ondernemer.
Niet volgens een columnist.
Volgens de rechtbank Rotterdam.
Het onderzoek was niet sluitend, maar de gevolgen waren dat wel
De overheid wist Cash Centers wel degelijk te vinden.
De machines werden uit de markt gehaald.
Bedrijven werden geraakt.
Vergunningen kwamen onder druk.
Gezinnen leefden jarenlang met strafzaken, beslagen, onzekerheid, reputatieschade en financiële ellende.
Het onderzoek was volgens de rechtbank niet sluitend.
Maar de overheidsmachine sloot uitstekend.
Die deur ging keihard dicht.
Dat is waar ik kwaad van word.
Als een onderzoek niet sluitend is, moet twijfel bescherming bieden aan de burger.
Hier leek de twijfel vooral een probleem te zijn dat achteraf met dossiers, procedures en zwarte lak moest worden toegedekt.
En laat niemand zeggen dat dit alleen om een paar machines of een technisch juridisch meningsverschil ging.
De rechtbank hield bij de strafoplegging rekening met de verstrekkende gevolgen van het optreden van de Ksa en FIOD, waaronder de financiële gevolgen van de inbeslagname van de Cash Centers en de angst als gevolg van ernstige bedreigingen.
De schade was echt.
De gezinnen waren echt.
De gesloten bedrijven waren echt.
De verloren jaren waren echt.
Alleen dat sluitende onderzoek lijkt na al die jaren nog steeds een soort bestuurlijke fata morgana.
Wie gaf eigenlijk leiding aan dit verhaal?
Vier inspecteurs opereren niet in een vacuüm.
Zij worden niet op maandagochtend wakker en besluiten gezamenlijk op eigen houtje hoe een landelijk onderzoek, een proces-verbaal en een samenwerking met het Openbaar Ministerie worden ingericht.
Zij hebben leidinggevenden.
Zij hebben een organisatie boven zich.
Zij moeten verantwoording afleggen.
Hun processen-verbaal worden gelezen.
Hun conclusies worden besproken.
Hun onderzoek wordt gebruikt door officieren van justitie.
Dus komt een veel belangrijkere vraag in beeld:
Wie bepaalde de koers?
Was dat binnen de Ksa?
Was dat onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van toenmalig voorzitter René Jansen?
Was het de eerste officier in het dossier, Eijkelboom?
Was het later officier Boswijk?
Was het een gezamenlijk overleg tussen Ksa, FIOD en OM?
Wie zei: dit is de lijn waarop wij doorgaan?
Wie maakte van een betaalvoorziening een “onlosmakelijke verbinding”?
Wie besloot dat het dossier sterk genoeg was om mensen te vervolgen en een hele betaalinfrastructuur uit de markt te halen?
Ik heb geen document waarin staat dat René Jansen, Eijkelboom, Boswijk of iemand anders opdracht gaf om onwaarheid op te schrijven.
Dat zeg ik daarom niet als feit.
Maar het ontbreken van dat bewijs maakt de vraag niet minder dringend.
Integendeel.
Want als vier inspecteurs zelfstandig een cruciaal onderdeel verkeerd hebben voorgesteld, is dat ernstig.
Maar als de gekozen formulering hoger in de organisatie is besproken, afgestemd of gestuurd, is het nog veel ernstiger.
Dan hebben we het niet over vier inspecteurs die een foutje maakten.
Dan hebben we het over een systeem.
Zou het zo zijn gegaan?
Laat ik de scène eens als gedachte-experiment opschrijven.
Niet als bewezen feit.
Als de vraag die door mijn hoofd blijft spoken.
Stel dat de inspecteurs in hun eerste bevindingen hadden geschreven:
“Cash Center is een betaalautomaat. Het systeem verwerkt betalingen. Met de terminal zelf kan niet worden gegokt. De betaalvoorziening kan ook voor andere goederen en diensten worden gebruikt. Forzza toont daarnaast andere betaalmogelijkheden.”
Dan was het strafrechtelijke verhaal een stuk moeilijker geworden.
Dan zou iedere advocaat onmiddellijk vragen:
Waarom is deze betaalvoorziening strafbaar en een creditcard, prepaidkaart of andere betaaldienst niet?
Waar ligt de grens tussen een aanbieder en een betaalverwerker?
Welke wetenschap en opzet zijn vastgesteld?
Welke concrete kansspelhandeling wordt door Cash Center verricht?
Misschien heeft toen iemand gedacht:
Broeders van de Ksa, als jullie het zo opschrijven, gaan wij in de rechtbank onderuit. Aan dat verhaal moet nog even worden gesleuteld. Maak er geen betaalautomaat van. Maak er een onmisbare schakel van. Maak er een onlosmakelijke verbinding van.
Nogmaals: ik beschik niet over een e-mail waarin dat letterlijk staat.
Maar juist daarom wil ik de interne communicatie zien.
Wie overlegde met wie?
Welke concepten zijn rondgestuurd?
Welke opmerkingen kwamen van het OM?
Welke aanwijzingen gaf de Ksa-leiding?
Welke formuleringen zijn aangepast?
Welke twijfels zijn intern besproken?
Want het eindresultaat lag er wel.
De conclusie stond als een fait accompli, een voldongen feit, in de processen-verbaal.
Cash Center was de onmisbare schakel.
Alleen het onderzoek dat die onmisbaarheid moest bewijzen, was volgens de rechtbank ontoereikend en niet sluitend.
Dan mag een burger toch vragen wie van onderzoek een vooraf vastgestelde conclusie heeft gemaakt?
Geen enkel mailtje?
En daar wordt het verhaal nog vreemder.
Bij verzoeken om documenten over betaaldienstverleners, banken, Cash Centers en de samenwerking tussen overheidsinstanties duiken nauwelijks stukken op.
Vijftien jaar beleid.
Vijf documenten.
En die documenten kwamen ook nog eens uit 2025.
Geen stapels interne e-mails uit de periode waarin Cash Centers werd onderzocht.
Geen duidelijke correspondentie waarin Ksa, FIOD en OM gezamenlijk de juridische en technische positie van Cash Center bespreken.
Geen mailwisseling tussen officieren en Ksa waarin wordt uitgelegd waarom Cash Center volgens hen geen gewone betaaldienst was.
Geen verslag waarin iemand zegt:
“Hier is het technische onderzoek. Hier zijn de alternatieve betaalmogelijkheden getest. Hieruit blijkt dat Cash Center werkelijk onmisbaar was.”
Niets.
Of beter gezegd: niets dat aan mij wordt verstrekt.
En dan blijven twee mogelijkheden over.
Of die communicatie bestaat werkelijk niet.
Dan moet de burger geloven dat een zaak met zulke verstrekkende gevolgen vrijwel zonder aantoonbare schriftelijke afstemming tussen de belangrijkste overheidsinstanties is opgebouwd.
Of de communicatie bestaat wel, maar wordt niet gevonden, niet verstrekt, buiten de reikwijdte geplaatst, geheimgehouden of zwartgelakt.
Welke mogelijkheid stelt het meeste gerust?
Geen van beide.
Waar is de triomfantelijke presentatie van het bewijs?
Stel nu dat de Ksa werkelijk over een glashelder technisch onderzoek beschikte.
Stel dat daaruit onweerlegbaar bleek:
Cash Center was geen betaaldienst.
Cash Center was uitsluitend voor Forzza bedoeld.
Andere betaalmethoden werkten niet.
Zonder Cash Center kon geen enkele Nederlandse speler storten.
De beheerders wisten precies wat er gebeurde.
Dan had de Ksa dat onderzoek toch vanaf dag één op tafel gegooid?
Dan had het OM het in de rechtszaal volledig uitgemeten.
Dan was het aan iedere journalist getoond.
Dan had de Ksa bij het eerste Woo-verzoek gezegd:
“Tada! Boertje uit Twente, hier is het onderzoek. Hier staat precies waarom wij met spoed alle Cash Centers van de markt hebben gehaald.”
Dan was dit dossier al lang voorbij geweest.
Dan hoefde niemand jarenlang te vragen.
Dan waren geen geheime enveloppen nodig.
Dan waren geen pagina’s zwarte lak nodig.
Dan waren geen semantische discussies nodig over reikwijdte, persoonlijke beleidsopvattingen en toezichtbelangen.
Bewijs dat je gelijk hebt, verstop je normaal gesproken niet.
Je laat het zien.
Zeker wanneer je met dat bewijs bedrijven hebt geraakt en mensen hebt vervolgd.
Maar in dit dossier lijkt het omgekeerde te gebeuren.
Hoe harder de burger naar het onderzoek vraagt, hoe dikker de mist wordt.
De geheime envelop naar Zwolle
En dan is er nog die geheime envelop die de Ksa naar de rechtbank in Zwolle stuurde en die uitsluitend door de rechters mocht worden bekeken.
Een geheime envelop.
In een zaak waarin ik juist vraag om openheid over wat de overheid heeft gedaan.
Wat moet daarin staan?
Dat Henk in 1994 door rood reed?
Dat hij ooit te veel suikerstaafjes meenam bij de koffie?
Dat hij een ambtenaar niet vriendelijk genoeg heeft aangekeken?
Welke informatie kan zó gevoelig zijn dat de burger over wie het dossier gaat haar niet mag zien, terwijl de rechter haar wel mag gebruiken bij zijn beoordeling?
Ik weet niet wat in die envelop staat.
Juist dat is het probleem.
Maar na alles wat in de Cash Centers-zaak is gebeurd, hoeft niemand vreemd op te kijken dat mijn gedachten verder gaan.
Staat daarin informatie over de samenwerking tussen Ksa en OM?
Over de totstandkoming van de processen-verbaal?
Over interne twijfel?
Over de werkelijke rol van Cash Center?
Over personen die toestemming of richting hebben gegeven?
Of staat er iets heel anders in?
Laat het zien.
Dan hoeven wij niet te speculeren.
Een overheid die iedere verdenking wil voorkomen, moet geen geheimhouding gebruiken waar controle mogelijk is.
René Jansen: bestuurder boven de inspecteurs
René Jansen was destijds voorzitter van de Kansspelautoriteit.
Hij stond dus bestuurlijk boven de organisatie die dit onderzoek uitvoerde. De Ksa noemt hem inmiddels zelf haar voormalig voorzitter. (Kansspelautoriteit)
Heeft Jansen persoonlijk opdracht gegeven voor bepaalde formuleringen?
Ik weet het niet.
Was hij inhoudelijk op de hoogte van ieder proces-verbaal?
Dat kan ik zonder documenten niet vaststellen.
Maar de Ksa kan zich ook niet gedragen alsof haar voorzitter niets te maken had met een van de meest ingrijpende handhavingsoperaties rond betaalconstructies voor illegaal online gokken.
Wie wist wat?
Wanneer wist men het?
Welke rapportages bereikten het bestuur?
Welke risico’s werden besproken?
Is ooit intern gezegd dat Cash Center misschien gewoon als betaaldienst of betaalplatform moest worden beoordeeld?
Is gewaarschuwd dat de “onlosmakelijke verbinding” technisch onvoldoende was onderzocht?
En wat gebeurde er met die waarschuwing?
Dat zijn geen gekke vragen.
Dat zijn precies de vragen die een toezichthouder zelf zou stellen als een vergunninghouder zo’n onvolledig dossier presenteerde.
Michel Groothuizen: de erfenis en de zwarte lak
René Jansen vertrok.
Michel Groothuizen nam de voorzittershamer over en is nog steeds voorzitter van de Ksa. (Kansspelautoriteit)
Daarmee heeft Groothuizen misschien niet het oorspronkelijke Cash Centers-dossier opgebouwd, maar hij draagt inmiddels wel verantwoordelijkheid voor de manier waarop zijn organisatie met de nasleep, Woo-verzoeken, bezwaren en vragen om openheid omgaat.
En daar wordt mijn vertrouwen niet groter van.
Verslagen die volgens mij niet correct weergeven wat tijdens hoorzittingen is gezegd.
Geen of late bevestigingen van nieuwe Woo-verzoeken.
Steeds discussie over tijd, inzage en voorwaarden.
Vijf documenten over vijftien jaar.
Een overheid die zegt dat alle stukken er liggen, terwijl de burger zich afvraagt hoe zo’n omvangrijke zaak ooit zonder een groter papieren spoor heeft kunnen bestaan.
En ondertussen horen we Groothuizen graag spreken over samenwerking met financiële partijen.
Banken en betaaldienstverleners zijn belangrijk in de strijd tegen illegaal gokken.
René Jansen schreef als voorzitter zelf al dat betaaldienstverleners een belangrijke rol spelen, omdat zonder betaling niet op illegale sites kan worden gespeeld. (Kansspelautoriteit)
Prima.
Maar dan wordt de vraag alleen maar groter:
Waarom werd Cash Center destijds als strafbare onmisbare schakel behandeld, terwijl banken, creditcardmaatschappijen, prepaidbetaaldiensten en andere financiële partijen kennelijk als samenwerkingspartners of delen van de financiële periferie worden benaderd?
Waar ligt het juridische verschil?
Waar is dat onderzocht?
En waarom mag ik dat onderzoek niet gewoon zien?
Eijkelboom, Boswijk en de ontbrekende regie
Volgens het dossier was officier Eijkelboom eerder bij de Cash Centers-zaak betrokken voordat Boswijk de zaak in de rechtszaal behandelde.
Dat maakt de keten breder.
De inspecteurs van de Ksa.
De leiding van de Ksa.
De FIOD.
Officier Eijkelboom.
Later officier Boswijk.
Wie had de regie?
Wie beoordeelde de betrouwbaarheid van de processen-verbaal?
Wie stelde kritische vragen bij de woorden “onmisbare schakel”?
Wie controleerde of alternatieve betaalmogelijkheden daadwerkelijk waren getest?
Wie vroeg of Cash Center ook voor niet-gokgerelateerde aankopen kon worden gebruikt?
Wie keek naar de technische werkelijkheid in plaats van alleen naar de gewenste strafrechtelijke kwalificatie?
En wanneer de antwoorden op al die vragen luiden dat niemand dat deed, hoe kan een officier van justitie dan zo stellig veroordeling eisen?
Een officier van justitie is geen voorleesmachine van de Ksa.
Een officier behoort de bewijsvoering zelfstandig te beoordelen.
Hij moet ook ontlastende omstandigheden zien.
Hij moet zich afvragen of het onderzoek volledig, controleerbaar en eerlijk is.
Daarom kan de rol van Boswijk niet worden afgedaan met:
“Hij kreeg het dossier en deed zijn werk.”
Hij gebruikte het dossier.
Hij verdedigde de kwalificatie.
Hij vroeg de rechtbank om mensen te veroordelen.
Daarmee draagt hij verantwoordelijkheid voor de wijze waarop de bewijsconstructie aan de rechtbank is gepresenteerd.
En waar kom ik Boswijk nu weer tegen?
Niet in een stoffig archief.
Niet in een oude voetnoot.
Maar op een officiële foto van het Openbaar Ministerie in het Caribisch gebied.
Advocaat-generaal Robbert-Jan Boswijk.
Werkzaam binnen het Parket van de Procureur-Generaal van Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden.
Verantwoordelijk voor internationale rechtshulp en samenwerking, waaronder coördinatie in complexe en grensoverschrijdende zaken. (Openbaar Ministerie Curaçao)
En precies daar lees ik nu over illegale loterijen, kansspeltoezicht en een onderzoek van het Curaçaose OM naar de Curaçao Gaming Authority.
Het CasinoNieuws-artikel zegt niet dat Boswijk persoonlijk dit onderzoek leidt.
Dat beweer ik dus ook niet.
Maar het toeval is opvallend genoeg om mijn wenkbrauwen tot boven mijn haargrens te laten stijgen.
De officier uit de Nederlandse Cash Centers-zaak, waarin een betaalconstructie voor illegaal gokken centraal stond, is nu advocaat-generaal in het Caribisch gebied waar opnieuw onderzoek wordt gedaan rond een kansspeltoezichthouder.
Mag ik dan vragen:
Zwaait Boswijk daar ook de scepter over dit onderzoek?
Is hij erbij betrokken?
Wie heeft de leiding?
En wordt het dit keer een echt onderzoek?
Of krijgen we opnieuw een dossier waarin de conclusie al op Curaçao ligt te zonnen voordat het onderzoek zijn koffer heeft uitgepakt?
Misschien heeft Boswijk veel geleerd
Dat kan natuurlijk ook.
Misschien kijkt Boswijk terug op Cash Centers en denkt hij:
Dat had beter gemoeten.
Wij hadden de technische werking grondiger moeten laten onderzoeken.
Wij hadden alternatieve betaalmogelijkheden moeten testen.
Wij hadden scherper moeten kijken naar het verschil tussen aanbieder en betaaldienst.
Wij hadden de verklaringen van de inspecteurs kritischer moeten vergelijken met hun processen-verbaal.
Wij hadden niet zo zwaar mogen leunen op een onderzoek dat later ontoereikend en niet sluitend werd genoemd.
Misschien gebruikt hij die ervaring nu om in het Caribisch gebied te eisen dat onderzoeken volledig, transparant en controleerbaar zijn.
Dat zou prachtig zijn.
Dan is er tenminste iets geleerd.
Maar misschien is er niets geleerd.
Misschien krijgt Curaçao straks hetzelfde draaiboek:
Eerst een gewenste verdachte.
Dan een gewenste conclusie.
Dan een proces-verbaal.
Dan het woord onderzoek.
Dan een officier.
Dan de rechter.
Dan de schade.
En jaren later vier mensen onder ede die vertellen dat cruciale onderdelen nooit zijn onderzocht.
Ik houd mijn hart vast.
Wie gaf toestemming om niet naar waarheid te handelen?
Dat is uiteindelijk de zwaarste vraag.
Ik zeg niet dat ik al bewezen heb wie opdracht gaf om een onjuiste voorstelling van zaken te geven.
Maar ik zeg wel dat de verschillen tussen de processen-verbaal, de latere verklaringen en het oordeel van de rechtbank zó ernstig zijn dat deze vraag onafhankelijk moet worden onderzocht.
Wie wist dat essentiële onderdelen niet waren onderzocht?
Wie keurde de processen-verbaal goed?
Wie nam de woorden “onlosmakelijke verbinding” en “onmisbare schakel” over?
Wie heeft verzuimd de beperkingen van het onderzoek duidelijk aan de rechtbank te melden?
Wie besloot desondanks door te gaan?
Want willens en wetens een onjuist of onvolledig beeld aan een rechter voorhouden, is geen schoonheidsfout.
Dan gaat het om de integriteit van de rechtspleging.
Dan gaat het om de betrouwbaarheid van processen-verbaal.
Dan gaat het om de vraag of de overheid de rechter volledig en eerlijk heeft geïnformeerd.
En dan is het jagen op alleen vier inspecteurs misschien inderdaad te eenvoudig.
Misschien waren zij de schrijvende handen.
Maar wie was het hoofd?
Wie bepaalde de richting?
Wie had het grotere belang?
Daar moeten René Jansen, de betrokken Ksa-leiding, officier Eijkelboom en officier Boswijk ieder vanuit hun eigen rol antwoord op geven.
Niet omdat ik hen zonder bewijs van een misdrijf beschuldig.
Maar omdat de gevolgen te groot en de tegenstrijdigheden te ernstig zijn om met een bestuurlijke schouderophaling weg te zetten.
Een smeriger spel dan Russische roulette
Bij Russische roulette weet je tenminste dat er één kogel in de cilinder zit.
Bij dit soort overheidsprocedures weet de burger niet eens hoeveel cilinders er zijn.
Strafrecht.
Bestuursrecht.
Vergunningenrecht.
Woo.
Geheime stukken.
Vertrouwelijke enveloppen.
Zwarte lak.
Proces-verbaal.
Verwijzing naar een ander onderzoek.
Een bestuursrechter die zegt geen reden te hebben te twijfelen aan het OM of de Ksa.
En iedere keer draait de overheid opnieuw aan de trommel.
Niet met haar eigen bedrijf.
Niet met haar eigen huis.
Niet met haar eigen gezin.
Met dat van de burger.
De ambtenaar gaat na werktijd naar huis.
De officier krijgt een andere functie.
De bestuurder reist naar een congres.
De ondernemer blijft achter met de kogelgaten.
Noem mij dramatisch.
Noem mij gekke Henki.
Maar dit is wat er gebeurt wanneer een niet-sluitend onderzoek jarenlang als waarheid wordt gebruikt.
Ook al is de leugen nog zo snel
Misschien komt uiteindelijk het oude spreekwoord uit:
Ook al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel.
Die waarheid loopt alleen tegen een hoop hindernissen aan.
Zwarte lak.
Geen ontvangstbevestiging.
Geen documenten aangetroffen.
Buiten de reikwijdte.
Onvoldoende tijd voor inzage.
Onvolledige verslagen.
Geheime enveloppen.
En een overheid die na iedere vraag verbaasd kijkt alsof het de eerste keer is dat iemand haar om verantwoording vraagt.
Maar ik blijf vragen.
Niet alleen aan de vier inspecteurs.
Ook aan de bestuurders.
Ook aan de officieren.
Ook aan Boswijk.
Juist aan Boswijk.
Want hij was de officier die de strafzaak bij de rechtbank presenteerde.
Hij gebruikte het verhaal van de onmisbare schakel.
Hij vroeg om veroordeling.
En nu draagt hij een nog hogere functie binnen het Caribische Openbaar Ministerie.
Een hogere functie betekent niet minder verantwoordelijkheid voor het verleden.
Het betekent meer.
Henki naar Curaçao
Ik moet binnenkort misschien zelf nog naar Curaçao voor een geheime missie.
Wie weet kom ik Robbert-Jan Boswijk daar tegen.
Bij dertig graden.
Hij in een net pak.
Ik met een paraplu tegen de zon.
Misschien drinken we koffie.
Misschien vraagt hij:
“Henk, wat doe jij hier?”
Dan zeg ik:
“Robbert-Jan, ik zoek nog steeds het onderzoek.”
Of misschien gaat het anders.
Paspoort ingenomen.
Laptop weg.
Column weg.
Henki weg.
Probleem weg.
Voer voor de haaien.
Rust op het parket.
Dat is natuurlijk cabaret.
Hoop ik.
Maar voor de zekerheid laat ik thuis even weten welke vlucht ik neem.
De echte geheime missie
Mijn echte missie is helemaal niet geheim.
Die is doodsimpel.
Ik wil weten wat er is gebeurd.
Wie gaf de opdracht?
Wie wist dat het onderzoek tekortschoot?
Wie keurde de stukken goed?
Wie zette de strafrechtelijke lijn door?
Waarom zijn er nauwelijks documenten?
Waarom wordt informatie zwartgelakt?
Wat zat in de geheime envelop?
Waarom zijn de verklaringen van de inspecteurs niet in overeenstemming met het stellige beeld uit de processen-verbaal?
En waarom heeft nog niemand namens de overheid hardop gezegd:
Wij hebben hier zwaar gedwaald?
Dat is geen wraak.
Dat is verantwoording.
Het eindsignaal heeft nog steeds niet geklonken
Cash Centers moest een simpel één-tweetje worden.
De Ksa gaf de voorzet.
Het OM nam de bal aan.
Boswijk schoot.
De overheid begon al te juichen.
Maar de VAR liet één zin zien:
Het onderzoek was ontoereikend en niet sluitend.
En nu staat dezelfde Boswijk als advocaat-generaal op een statige foto in het Caribisch gebied, terwijl daar opnieuw de woorden illegaal gokken, toezichthouder en onderzoek vallen.
Toeval?
Misschien.
Een reden om vragen te stellen?
Zeker.
Dus Robbert-Jan:
Was u betrokken bij het huidige Curaçaose onderzoek?
Wie leidt het?
Welke feiten zijn onderzocht?
Welke alternatieve verklaringen zijn bekeken?
Wordt alle relevante informatie straks openbaar?
Of krijgen we opnieuw een overheidsverhaal dat pas jaren later bij een rechter-commissaris uit elkaar valt?
De Cash Centers-wedstrijd is namelijk niet afgelopen.
De vier inspecteurs zijn gehoord.
Het vonnis ligt er.
De Woo-procedures lopen.
De geheime envelop bestaat.
De ontbrekende documenten blijven ontbreken.
En gekke Henki staat nog steeds langs de lijn.
Met één vraag.
Dezelfde vraag die de Ksa, de FIOD, René Jansen, Michel Groothuizen, Eijkelboom en Boswijk allang hadden moeten beantwoorden:
Waar is het onderzoek?
Totdat dat onderzoek op tafel ligt, blijft het scorebord knipperen:
WEL ONDERZOEK GEBRUIKT.
GEEN SLUITEND ONDERZOEK AANGETOOND.
BEDRIJVEN WEL GERAAKT.
GEZINNEN WEL BESCHADIGD.
NIEMAND VERANTWOORDELIJK.
En daarom heeft het eindsignaal nog steeds niet geklonken.
Tot slot een persoonlijk verzoek aan al mijn trouwe lezers.
Vindt u, net als ik, dat een overheid open, eerlijk en controleerbaar moet zijn? Deel deze column dan zoveel mogelijk.
Op Facebook, Instagram, LinkedIn, X, Telegram, WhatsApp… en vooruit, desnoods zelfs via Tinder. Je weet maar nooit wie je daar tegenkomt.
Hoe meer mensen deze vragen lezen, hoe moeilijker het wordt om ze te blijven negeren.
Want een overheid hoeft niet bang te zijn voor kritische burgers.
Een overheid hoeft alleen bang te zijn voor de waarheid als die liever verborgen blijft.
Delen is geen aanval op de rechtsstaat. Delen is juist een oproep om de rechtsstaat scherp te houden.
Bedankt voor jullie vertrouwen, jullie reacties en jullie steun.
Ajuu paraplu,
Henk ten Voorde
24coupons.nl